Binnen zowel de bebouwde kom als het buitengebied wordt terughoudend omgegaan met openbare verlichting. In parken, in en nabij natuurgebieden en bij achterpaden wordt bij het einde van de technische levensduur per locatie beoordeeld of vervanging van de verlichting nog noodzakelijk is. Daarbij worden functie, verkeersveiligheid, sociale veiligheid en ecologische waarden expliciet afgewogen.

In het buitengebied wordt eveneens kritisch beoordeeld of vervanging van bestaande verlichting noodzakelijk is. Waar verlichting functioneel vereist blijft, wordt deze zoveel mogelijk beperkt tot oriëntatieverlichting. Met een lage lichtintensiteit en juiste armatuur keuze wordt verstoring van flora en fauna geminimaliseerd. Verlichting die is geplaatst op terrein van derden en waarvoor de gemeente geen beheer- en onderhoudsverantwoordelijkheid draagt, wordt – na vaststelling van de eigendomssituatie – overgedragen aan de betreffende grondeigenaar of verwijderd.

Verwijdering van verlichting vindt gefaseerd plaats en wordt waar mogelijk gecombineerd met vervangingsplannen of andere werkzaamheden in de openbare ruimte, zodat een doelmatige en beheerbewuste uitvoering wordt geborgd.

G