2.6 Programma Bestuur en bedrijfsvoering

2.6.0 Inleiding

Onder het programma Bestuur en bedrijfsvoering is geen aparte visie en/of doelstelling opgenomen. Deze komen, voor zover relevant, terug in de desbetreffende paragrafen. In het programma zelf begroten wij de belangrijkste inkomstenstroom van de gemeente; de algemene uitkering. 

2.6.1 Bestuur en bedrijfsvoering

Inleiding

Omdat een groot deel van de hierop te nemen informatie is opgenomen in de paragrafen “Bestuur” en “Bedrijfsvoering” wordt hier volstaan met een korte toelichting op de ontwikkeling van de algemene uitkering uit het gemeentefonds, een toelichting op de budgetraming ‘Overhead’, de stand van de algemene reserve per 1/1/2023 een overzicht van de te betalen vennootschapsbelasting en een overzicht van de post onvoorzien.

Ontwikkeling algemene uitkering uit het gemeentefonds

De algemene uitkering uit het gemeentefonds is geraamd op basis van de meicirculaire 2022. De effecten van de meicirculaire zijn betrokken bij de behandeling van de voorjaarsnota 2022. De toename van de algemene uitkering voor 2023 en volgende jaren is met name het gevolg van de opwaartse bijstelling van de accressen. De accressen zijn hoger dan aangekondigd in eerdere circulaires. Dit is het gevolg van hogere uitgaven van het Rijk voor o.a. defensie en door de koppeling AOW aan wettelijk minimumloon. Ook is het accres opwaarts bijgesteld als gevolg van hogere loon- en prijsontwikkeling dan tot nu toe aangenomen.

Ten opzichte van 2025 is er in 2026 sprake van een neerwaartse bijstelling van het accres doordat het Rijk heeft besloten om het gemeentefonds vanaf 2026 niet langer via de huidige normeringsystematiek van “samen de trap op en samen de trap af” te indexeren. Daarmee vervalt de koppeling aan de Rijksuitgaven. Het accres wordt vanaf 2026 wel bijgesteld als gevolg van de jaarlijkse loon en prijsontwikkeling zoals dat door het CPB wordt geraamd. 

Rijk en VNG werken op dit moment aan de Hervormingagenda jeugdzorg. Deze zal naar verwachting dit najaar worden afgerond. Vooruitlopend hierop zijn voor de jaren 2022 en 2023 aanvullende, incidentele middelen toegevoegd aan het gemeentefonds, in lijn met de financiële reeks van de uitspraak van de Commissie van Wijzen (CvW). Naast de besparingsopgave die volgt uit de uitspraak van de Commissie van Wijzen heeft het kabinet besloten tot het realiseren van de aanvullende besparing van structureel € 511 miljoen, welke een Rijksverantwoordelijkheid is gemaakt. Concreet betekent dit dat het aan de Rijksoverheid is om de besparing in te vullen met (wettelijke) maatregelen. Het gaat daarbij om maatregelen waardoor gemeenten minder middelen nodig hebben of waarbij alternatieve inkomsten gegenereerd worden (bv door middel van de invoering van een eigen bijdrage). Ook draagt het Rijk het budgettaire risico ingeval (een deel van) deze maatregelen geen of niet tijdig doorgang vinden. Vooruitlopende op de afronding hebben Rijk, VNG en provincies de volgende afspraken gemaakt over het meerjarig ramen van de compensatie tekorten jeugdzorg voor de jaren 2024-2026. 

  • Gemeenten mogen in de jaarschijven 2024 tot en met 2026 de middelen die het Rijk heeft gereserveerd voor compensatie meenemen in hun meerjarenraming. Concreet gaat het landelijk om respectievelijk €1.265 miljoen, €758 miljoen en €367 miljoen. Voor onze gemeente betekent dit respectievelijk € 5,6 miljoen, € 3,3 miljoen en € 1,6 miljoen. Met deze bedragen hebben we rekening gehouden in de raming van de algemene uitkering uit het gemeentefonds.
  • Daarnaast mogen gemeenten in hun begroting rekening houden met een besparing op de kosten van jeugdzorg van €100 miljoen in 2024, €500 miljoen in 2025, € 500 miljoen in 2026 en vanaf 2027 € 511 miljoen structureel als gevolg van maatregelen die het Rijk zal uitwerken. Voor onze gemeente betekent dit voor 2024 een te realiseren besparing op de kosten van jeugdzorg van € 440.000 en voor de jaren 2025 en 2026 een bedrag van ongeveer € 2,2 miljoen.

Voor 2024 en 2025 sluit het effect per saldo aan bij hetgeen we hebben geraamd. Wel wordt een deel van de compensatie van het tekort niet via de algemene uitkering verrekend maar via besparingen op de uitgaven jeugdzorg. Voor 2026 resteert een nadelig effect ongeveer € 1,8 miljoen ten opzichte van de eerder geraamde compensatie. Dit is een gevolg van de toename van de opgevoerde besparingsmaatregelen uit de hervormingsagenda CvW in 2026. Bij de actualisatie van de ramingen ten behoeve van het financiële beeld (VJN) zijn we voor 2026 voorshands uitgegaan van de voor 2025 bekende maatregelen/bedragen. 

Overhead

Op grond van het BBV behoort in de begroting een overzicht te worden opgenomen van de ‘Overhead’ in de organisatie. Hoofdlijn begroting 2023 ’Wat direct kan worden toegerekend, wordt direct toegerekend’.

  • Ondersteunende taken zijn niet direct dienstbaar aan de externe klant of het externe product en behoren daarom tot de overhead. Wanneer deze ondersteunende taken worden uitbesteed, behoren de uitbestedingskosten bedrijfsvoering tot de overhead;
  • Sturende taken, vervuld door hiërarchisch leidinggevenden behoren tot de overhead. De bijbehorende loonkosten behoren ondeelbaar tot de overhead;
  • De positionering van een functie binnen de organisatie heeft geen invloed op de beoordeling of er sprake is van overhead.

De overheadkosten in de meerjarenbegroting zien er als volgt uit:

Overhead
Omschrijving realisatie 2021 Gewijzigde begroting 2022 Begroting 2023 Begroting 2024 Begroting 2025 Begroting 2026
Saldo lasten en baten
overhead 30.813 27.757 29.814 30.400 31.053 31.513
30.813 27.757 29.814 30.400 31.053 31.513
bedragen x € 1.000

Algemene reserve

Voor wat betreft de specificaties van mutaties in de reserves wordt verwezen naar het onderdeel ‘Uiteenzetting financiële positie’ / “Reserves en voorzieningen”. Daar vindt u ook de stand van de reserves en voorzieningen, die wij jaarlijks herijken en ziet u de toevoeging en aanwending van de reserves, die in de budgetonderdelen van de thema’s zijn verwerkt.

De stand van de algemene reserve voor de begroting 2023 ziet er als volgt uit.

Algemene reserve
Omschrijving Boekwaarde stand 01/01/2023 storting 2023 onttrekking 2023 Boekwaarde stand 31/12/2023
algemene reserve (algemeen) 11.846 96 11.942
Totaal 11.846 96 0 11.942
bedragen x € 1.000

Vennootschapsbelasting

De gemeente is niet aangemerkt als ondernemer door de Belastingdienst. Er wordt jaarlijks een toets uitgevoerd of er winst gemaakt wordt op niet-overhedentaken. Indien dit winstbedrag structureel is wordt de gemeente voor die betreffende activiteit als ondernemer aangemerkt en vallen we onder de vennootschapsbelasting. Dit is naar verwachting voor de betreffende begrotingsjaren niet het geval.

Vennootschapsbelasting
Omschrijving realisatie 2021 Gewijzigde begroting 2022 Begroting 2023 Begroting 2024 Begroting 2025 Begroting 2026
Saldo lasten en baten
heffing VPB 0 0 0 0 0 0
Totaal 0 0 0 0 0 0
bedragen x € 1.000

Onvoorzien

Als onvoorzien is een gering vast bedrag voor de toekomstige jaren opgenomen. Dit betreft een stelpost ter dekking van tegenvallers, c.q. niet voorziene uitgaven waar gedurende het begrotingsjaar alsnog prioriteit aan toe wordt gekend. Hierbij is uitgegaan van een bedrag van €150.000.

Onvoorzien
Omschrijving realisatie 2021 Gewijzigde begroting 2022 Begroting 2023 Begroting 2024 Begroting 2025 Begroting 2026
Saldo lasten en baten
onvoorzien 0 -138 -150 -150 -150 -150
Totaal 0 -138 -150 -150 -150 -150
bedragen x € 1.000

2.6.2 Verplichte beleidsindicatoren (BBV)

Verplichte beleidsindicatoren Bestuur en bedrijfsvoering
Naam Indicator Eenheid Peiljaar M-G Nederland
Gemiddelde WOZ waarde Duizend euro 2018 € 153 € 230
2019 € 167 € 250
2020 € 175 € 271
2021 € 187 € 290
Gemeentelijke woonlasten eenpersoonshuishouden In Euro’s 2018 - € 651
2019 € 693 € 665
2020 € 762 € 700
2021 € 806 € 733
2022 € 911 -
Gemeentelijke woonlasten meerpersoonshuishouden In Euro’s 2018 - € 721
2019 € 732 € 735
2020 € 813 € 773
2021 € 852 € 810
2022 € 952 -
Formatie Fte per 1.000 inwoners 2018 9,1 -
2019 9,1 -
2020 9,7 -
2021 9,4 -
Bezetting Fte per 1.000 inwoners 2018 8,9 -
2019 9,0 -
2020 9,9 -
2021 9,9 -
Apparaatskosten Kosten per inwoner 2018 € 440,83 -
2019 € 473,54 -
2020 € 445,04 -
2021 € 499,43 -
Externe inhuur Kosten als % van tot. loonsom + 2018 21,8% -
tot. kosten inhuur extern 2019 18,1% -
2020 17,1% -
2021 15,9% -
Overhead % van totale lasten 2018 11,6% -
2019 11,7% -
2020 11,3% -
2021 12,5% -

2.6.3 Financieel overzicht Bestuur en bedrijfsvoering

Financieel overzicht

Bedragen x € 1.000
Omschrijving Realisatie 2021 Begroting na wijziging 2022 Begroting 2023 Begroting 2024 Begroting 2025 Begroting 2026
Lasten
Bestuur 2.975 3.171 3.246 3.366 3.491 3.642
Bestuursondersteuning 30.895 29.081 30.617 31.159 31.867 32.348
Belastingen 1.356 1.134 769 795 817 840
Treasury 446 -172 -630 -694 -675 -678
Overige baten en lasten 357 10.344 12.437 15.571 16.124 20.265
Totaal Lasten 36.029 43.558 46.438 50.197 51.624 56.417
Baten
Bestuur 382 0 0 0 0 0
Bestuursondersteuning 567 430 373 384 395 407
Belastingen 20.280 20.649 21.487 22.122 22.770 23.431
Treasury 389 407 428 351 351 351
Gemeentefonds 132.055 144.476 145.397 151.911 156.546 148.759
Overige baten en lasten 1.316 3.176 797 897 889 880
Totaal Baten 154.989 169.138 168.482 175.665 180.951 173.829
Saldo voor bestemming 118.960 125.580 122.043 125.468 129.327 117.412
Stortingen
Bestuursondersteuning 2.936 0 0 0 0 0
Overige baten en lasten 90 89 0 0 0 0
Totaal Stortingen 3.026 89 0 0 0 0
Onttrekkingen
Bestuur 46 0 0 0 0 0
Bestuursondersteuning 2.825 852 141 69 18 11
Overige baten en lasten 450 1.972 0 0 0 0
Totaal Onttrekkingen 3.322 2.824 141 69 18 11
Totaal mutatie reserves 296 2.735 141 69 18 11
Saldo na bestemming 119.256 128.315 122.185 125.537 129.345 117.424

Toelichting

Het saldo van de lasten en baten (voor bestemming) op het programma Bestuur en bedrijfsvoering is ten opzichte van 2022 verslechterd met afgerond € 3,5 miljoen. Het saldo na bestemming (inclusief verwerking reservemutaties) is met ruim € 6,1 miljoen verslechterd. We lichten per product de belangrijkste wijzigingen toe.

Bestuur
De lasten vallen ten opzichte van 2022 € 75.000 hoger uit door een lichte stijging van de kosten bij het College (€ 32.000) en de Griffie (€ 43.000).

Bestuursondersteuning
Het nadelig saldo is ten opzichte van 2022 toegenomen met € 1,6 miljoen. Dit heeft te maken met diverse nominale ontwikkelingen.

Belastingen
Het voordelig saldo tussen de lasten en baten is ten opzichte van 2022 toegenomen met € 1,2 miljoen. De toename van het voordelig saldo is een gevolg van de structurele doorwerking in de opbrengstberekening aan OZB van de prijsinflatie en een lagere toerekening van apparaatskosten.

Treasury
De lasten zijn ten opzichte van de begroting 2022 gedaald met € 458.000. Dit is voornamelijk het gevolg van de lage rentestand. De baten zijn ten opzichte van 2022 iets hoger. Dit is in hoofdzaak het gevolg van een iets hoger dividend van de BNG.

Gemeentefonds
De toename van de meerjarenraming van de algemene uitkering houdt o.a. verband met de jaarlijkse accresontwikkeling. De raming van de algemene uitkering 2023 en volgende jaren is gebaseerd op de meicirculaire 2022. Vooruitlopend op de septembercirculaire, die gelijktijdig met het opstellen van deze begroting is verschenen, is een structurele verhoging van € 1,1 miljoen verwerkt.

Overige baten en lasten
Het saldo van de baten en lasten verslechtert met ongeveer € 4,5 miljoen ten opzichte van 2022. Onder de overige baten en lasten worden ramingen opgenomen inzake stelposten, taakstellingen en nog niet bestemde uitgaven/inkomsten. Deze post fluctueert elk begrotingsjaar en is veelal een gevolg van nog niet afgeronde besluitvorming. Voor 2023 betreft dit o.a.:

  • Aan de lastenkant, de budgetten voor onder andere de inflatiecorrectie, de uitwerking van het raadprogramma, beheer- en investeringsopgave openbare ruimte, verduurzaming, dienstverlening en participatie en de post onvoorziene uitgaven.
  • Aan de batenkant zijn bezuinigingstaakstellingen opgenomen welke niet functioneel zijn geraamd alsmede de taakstelling op maatschappelijk vastgoed. 

Mutaties reserves
Voor 2023 en volgende jaren is een onttrekking aan een afschrijvingsreserve geraamd van in totaal € 141.000 in 2023 aflopend naar € 16.000 in 2025 voor dekking van uit investeringen I&A voortvloeiende kapitaallasten. De in 2022 geraamde mutaties hebben onder andere betrekking op de overhevelingsvoorstellen jaarrekening 2021 naar 2022.