3.2 Paragraaf lokale heffingen

Inleiding

Deze paragraaf gaat over de lokale belastingen en heffingen. De volgende onderwerpen komen aan bod:

  • Inkomsten lokale heffingen;
  • Beleid lokale heffingen;
  • Kostendekkendheid van de heffingen;
  • Belastingdruk (woonlasten);
  • Kwijtscheldingsbeleid.

Inkomsten lokale heffingen

In onderstaande tabel staan de opbrengsten van de lokale heffingen in onze gemeente. De laatste kolom geeft het verschil weer tussen de begroting van 2022 en 2023. Hieronder volgt een korte toelichting:

Onroerendezaakbelasting (OZB)
Voor de OZB ramen we, zoals in het Collegeprogramma 'Samen aan de slag' is aangegeven, geen autonome meeropbrengst. We passen de opbrengst van 2023 aan met de consumentenprijsindex (CPI) van 2021; het laatst afgeronde volledige jaar. Dit betekent een verhoging van 2,7%. De verhouding tussen de opbrengst OZB voor woningen en die voor niet-woningen blijft gelijk. Het vaste verhoudingscijfer tussen de tarieven, dat in voorgaande jaren leidde tot veelal hogere lasten voor woningeigenaren, komt te vervallen. 

Rioolheffing
De opbrengst rioolheffing blijft bij een gelijkblijvend tarief, in lijn met de voorgaande jaren, ongeveer gelijk.

Afvalstoffenheffing
De opbrengst van de afvalstoffenheffing neemt met afgerond € 400.000 toe. Dit is in lijn met het door uw raad genomen besluit om het tarief stapsgewijs met 5% per jaar te verhogen.

Toeristenbelasting
We verwachten € 300.000 aan opbrengsten uit toeristenbelasting in 2023. 

Lijkbezorgingsgrechten
De opbrengst is op basis van gemaakte inschattingen.

Leges
Legesopbrengsten zijn vaak lastig te ramen, omdat het zicht op de vergunningsaanvragen in het nieuwe jaar niet helder is. Voor 2023 wordt het waarschijnlijk nog veel gecompliceerder. In de Eerste Kamer is een motie aangenomen om de lang uitgestelde nieuwe Omgevingswet nu toch per 1 januari 2023 in te voeren. Eén van de effecten daarvan is dat veel reguliere aanvraagverplichtingen komen te vervallen. Daar staat tegenover dat de gemeente wellicht het bevoegd gezag wordt voor het verlenen van milieuvergunningen. Er zijn op dit moment echter nog problemen met de benodigde ICT-infrastructuur, dus het kan ook zijn dat 1 januari niet gehaald wordt. Hoe dan ook moet er een bedrag geraamd worden voor de legesopbrengsten in 2023. Gezien alle onduidelijkheid gaan we nog uit van de legesproducten zoals in de huidige tarieventabel vermeld staan. Voor wat de opbrengst betreft lijkt het reëler om aan te sluiten bij de realisatie tot dusver in 2022 dan bij de behoedzame raming van een jaar geleden. 

Opbrengsten lokale heffingen
Onderdeel Realisatie 2021 Begroot 2022 Begroot 2023 2023-2022
Onroerende zaakbelasting woningen Eigenaren 11.535 11.741 12.223 482
Onroerende zaakbelasting niet woningen - Eigenaren 5.023 5.146 5.310 164
Onroerende zaakbelasting niet woningen - Gebruikers 3.722 3.762 3.854 92
Rioolheffing 5.580 5.606 5.593 -13
Afvalstoffenheffing 6.289 6.397 6.797 400
Toeristenbelasting 292 300 300 0
Lijkbezorgingsrechten 286 210 249 39
Leges (inc. Marktgelden) 2.582 2.037 2.529 492
Totaal 35.309 35.199 36.855 1.656
Bedragen x € 1.000

Beleid lokale heffingen

Lokale heffingen kunnen we verdelen in vrij te besteden belastingen, aan een bepaald doel gebonden heffingen, en rechten of leges die we heffen omdat we een dienst leveren. De begrippen heffingen en belastingen worden overigens vaak door elkaar heen gebruikt. 

  • Belastingen: de onroerendezaakbelasting (OZB) en de toeristenbelasting. De opbrengst is vrij te besteden en de gemeente is ook vrij om de hoogte van de tarieven vast te stellen;
  • Gebonden heffingen (bestemmingsheffingen): de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. De opbrengst van de afvalstoffenheffing moet gebruikt worden voor de inzameling en verwerking van huishoudelijk afval. De opbrengst van de rioolheffing moet gebruikt worden voor de wettelijke gemeentelijke watertaken. Bij beide heffingen geldt de opbrengstnorm: de gemeente mag niet meer inkomsten ramen dan de verwachte kosten;
  • Rechten: de leges, de lijkbezorgingsrechten en markt- en liggelden. Het gaat hier om diensten die de gemeente verleent of laat verlenen en waarbij er een individueel belang voor de aanvrager is. Ook hierbij geldt de opbrengstnorm.

Hieronder geven we een beeld van het beleid rond de verschillende heffingen. De heffingsverordeningen bieden we in december aan de raad aan.

Onroerendezaakbelastingen (OZB)
De OZB is de belangrijkste gemeentelijke belasting. Zoals u in de tabel "opbrengsten lokale heffingen" kunt zien, levert deze belasting het meeste op. De OZB kent drie verschillende tarieven. Eén voor de eigenaren van woningen, één voor de eigenaren van niet-woningen en één voor de gebruikers van niet-woningen. Onder niet-woningen verstaan we kantoren, winkels of scholen, maar ook bijvoorbeeld straatmeubilair, trafo’s of onbebouwde grond. Meer dan deze drie tarieven mag de gemeente niet hanteren. Het is dus verboden om bijvoorbeeld een tarief voor huurders van woningen te gebruiken of een aangepast tarief naar gelang de plaats waar een gebouw staat. Daarentegen zijn we verplicht om sommige objecten, zoals kerken en landbouwgrond, buiten de heffing te houden.

Naast deze verplichte vrijstellingen kan een gemeente ervoor kiezen om zelf bepaalde soorten onroerende zaken vrij te stellen van OZB. Maar wij zijn daar terughoudend in, vanwege het gelijkheidsbeginsel. Wel kunnen niet-commerciële organisaties zoals sportverenigingen, culturele instellingen of buurthuizen een compensatie krijgen in de vorm van subsidie. De hoogte van de OZB-aanslag is afhankelijk van de waarde van een object en van de door de raad vastgestelde tarieven. De taxateurs van de gemeente stellen elk jaar de nieuwe waarden vast op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz). Degene die op 1 januari van het jaar als eigenaar en/of gebruiker geregistreerd staat moet de belasting betalen. Voor het belastingjaar 2023 geldt de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2022.

Uitgangspunt van onze gemeente is dat we de opbrengst jaarlijks aanpassen met het zogeheten consumenten prijsindexcijfer (CPI). Dit is besloten in het collegeprogramma 'Samen aan de Slag!' We nemen daarbij het laatst afgeronde jaar. Dat betekent dus dat we de geraamde opbrengst van de OZB voor 2023 verhogen met 2,7%; het CPI van 2021.

Stijgende WOZ-waarden leiden niet tot een verhoging van de OZB-opbrengst, maar tot een verlaging van de tarieven. In het collegeprogramma staat ook dat de verhouding tussen de opbrengst van de woningen en de niet-woningen gelijk blijft. Wat dat gaat betekenen voor de tarieven is op dit moment nog niet duidelijk, omdat de herwaardering nog niet afgerond is. 

Rioolheffing 
De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken. Dat betekent niet alleen de zorgplicht voor opvang en transport van afvalwater en hemelwater, maar ook voor de beheersing van het grondwaterpeil in de bebouwde kom. De kosten hiervoor dekken we uit de rioolheffing; een naam dus die de lading niet volledig dekt. Vanuit de VNG wordt benadrukt dat de kosten die de gemeente maakt voor watertaken steeds minder een directe relatie hebben met de afvoer van afval- en hemelwater. De VNG adviseert dan ook om de belastingplicht te verbreden naar iedereen die een belang heeft bij de uitvoering van de gemeentelijke watertaken. Voor onze gemeente zou dat betekenen dat met name in het gebied van de voormalige gemeente Slochteren vrijstellingen van de rioolheffing komen te vervallen. Of dit wenselijk is in 2023 moet nog helder worden. In onze gemeente betalen alle eigenaren van percelen een vast bedrag voor de rioolheffing. Voor objecten kleiner dan 50 m2 geldt een lager tarief. Daarnaast hebben we een heffing voor grootverbruikers, waarbij het aantal afgevoerde kubieke meters afvalwater de grondslag is. Zo geven we het principe ‘de vervuiler betaalt’ vorm.

De kosten en de baten van de rioolheffing berekenen we met als uitgangspunt 100% kostendekking, zoals ook in het collegeprogramma staat. Het is overigens niet toegestaan meer inkomsten te ramen dan uitgaven. Als na afloop van het jaar blijkt dat er toch meer is binnengekomen, dan moet dat bedrag gereserveerd blijven voor de gemeentelijke watertaken.

Afvalstoffenheffing 
De gemeente heeft vanuit de Wet milieubeheer de plicht om zorg te dragen voor inzameling en verwerking van huishoudelijk afval. Dat bestaat niet alleen uit de wekelijkse ophaaldienst, maar ook uit de afval-aanbrengpunten en het opruimen van zwerfvuil. De kosten daarvoor betalen we uit de afvalstoffenheffing. Deze heffing stuurt de gemeente naar alle huishoudens waar huishoudelijk afval kan ontstaan.

We hebben het diftarsysteem. Dat betekent een differentiatie van de tarieven. In onze gemeente houdt dit in dat elk huishouden een bedrag voor vastrecht betaalt en daarnaast een bedrag dat afhankelijk is van het aantal keren dat de containers worden geleegd of een vuilniszak wordt gestort. Dit is dus ook volgens het principe ‘de vervuiler betaalt’. De aanslag afvalstoffenheffing rolt na afloop van het belastingjaar, als het aantal afvalledigingen bekend is, in de bus. Bij de afvalstoffenheffing streven we ook naar 100% kostendekking. In 2023 komt de kostendekking nog slechts uit op 77%. Een toelichting daarop ziet u in het hoofdstuk over de kostendekking van de heffingen.

Toeristenbelasting
Deze belasting is niet gebonden aan een kostenberekening, maar is vrij te besteden. We willen de opbrengst wel zoveel mogelijk gebruiken voor kosten die te maken hebben met recreatie en toeristische voorzieningen. De opbrengst kan echter ook als ander dekkingsmiddel worden gebruikt. De gemeente brengt toeristenbelasting in rekening bij degene die gelegenheid geeft tot verblijf; de recreatieve ondernemer. Deze kan de belasting verhalen op de gasten. We hebben een vast tarief per hotelovernachting en een lager tarief per kampeerplaats voor campings. Daarnaast is er een forfaitair tarief voor gebruik van seizoenplaatsen. Eens per drie jaar doen we rechtmatigheidsonderzoek bij de belastingplichtigen. 

Lijkbezorgingsrechten
Lijkbezorgingsrechten (oftewel grafrechten) vraagt de gemeente voor het recht op een graf, voor onderhoud van de graven en voor het begraven zelf. Verder zijn er, afhankelijk van de verschillende begraafplaatsen, nog aanvullende diensten. De harmonisatie van het beleid is op dit moment nog niet afgerond. Dat krijgt in de komende periode gestalte. Ook voor deze heffing geldt de opbrengstlimiet. We zitten evenwel nog zeker niet op 100% kostendekking. Het is overigens de vraag of we dat moeten willen. De discussie over dit punt gaat ook in de komende periode plaatsvinden. Voor volgend jaar stellen we voor de tarieven te indexeren met het CPI-cijfer van 2,7%. 

Liggelden
Alleen in het haventje van Zuidbroek heffen we liggelden. De exploitatie daarvan is in handen van de beheerder van de haven. De tarieven zijn niet kostendekkend, maar laten we voor het komende jaar zo. 

Marktgelden 
Marktgelden heffen we voor de locatie aan de Hoofdstraat in Hoogezand; de enige aangewezen markt in onze gemeente. De overige plaatsen zijn standplaatsen (al dan niet tijdelijk), waarvoor legesheffing is geregeld in de legesverordening. Indexering met het CPI-cijfer is hier wel van toepassing.

Leges 
Onder de naam ‘leges’ heffen we een groot aantal verschillende rechten voor het genot van, door, of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Deze rechten lopen uiteen van bijvoorbeeld de uitgifte van een paspoort of het sluiten van een huwelijk, tot een omgevingsvergunning voor het bouwen van een zonnepark of de aanpassing van een bestemmingsplan. Belangrijke voorwaarde voor legesheffing is dat de aanvrager een persoonlijk, individualiseerbaar belang moet hebben bij de dienst. De belastingplicht ontstaat meestal op het moment van aanvragen. Deze diensten hebben we in de legesverordening in een drietal titels bij elkaar gezet:

  • Titel 1: Algemene dienstverlening;
  • Titel 2: Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/ omgevingsvergunning;
  • Titel 3: Dienstverlening vallend onder de Europese Dienstenrichtlijn.

Onder titel 1 vallen vooral de diensten van Burgerzaken. Denk aan de verstrekking van een paspoort of rijbewijs. Onder titel 2 vallen de diensten van Omgevingsdienst Groningen (ODG) voor het verlenen van omgevingsvergunningen en van de gemeente voor wijzigingen van een bestemmingsplan. Titel 3 betreft de vergunningen voor ondernemers, zoals een drank- en horecavergunning of een evenementenvergunning.

De opbrengstnorm is van toepassing voor de hele verordening. De totale legesinkomsten die de gemeente raamt mogen niet meer zijn dan de totale te verwachten kosten van de afhandeling van de aanvragen. Het gaat dus niet om de kosten en baten per afzonderlijke aanvraag. We moeten wél een zo goed mogelijk inzicht hebben in alle te verwachten aanvragen in het komende jaar, te meer omdat we streven naar de maximaal toegestane 100% kostendekking. Belangrijkste post bij de leges zijn altijd de omgevingsvergunningen voor bouwen (de bouwleges). We gaan uit van ervaringscijfers waar het de reguliere bouwaanvragen betreft. Maar als het gaat om grote projecten kunnen individuele aanvragen de totale legesopbrengst behoorlijk beïnvloeden. Uit jurisprudentie blijkt dat, indien het zeker is dat een aanvraag in het begrotingsjaar ingediend gaat worden, dit ten tijde van het vaststellen van de begroting meegewogen moet worden in de kostendekking. Op dit moment wordt het beeld volkomen vertroebeld doordat de nieuwe Omgevingswet per 1 januari 2023 in zal moeten gaan (zo althans de Eerste Kamer). 

Naast de bovengenoemde opsomming geeft de Gemeentewet nog gelegenheid voor andere heffingen. Bijvoorbeeld parkeerbelasting, hondenbelasting en forensenbelasting. Deze belastingen heffen we niet in onze gemeente.

 

Kostendekkendheid van de heffingen

Voor het berekenen van de kostendekkendheid maken we gebruik van een zogeheten kostenverdeelstaat. In deze kostenverdeelstaat rekenen wij directe en indirecte (overhead) kosten toe aan een heffing.

Toerekening directe lasten 
Dit zijn de lasten die rechtstreeks te maken hebben met de uitvoering van taken. Ze staan dan ook verantwoord binnen een taakveld. Een voorbeeld is het Taakveld Riolering: daar staan onder meer de kapitaallasten, de loonkosten van de medewerkers en kosten voor kolken en vegen op. Deze kosten zijn rechtstreeks toe te rekenen aan de rioolheffing.

Toerekening indirecte lasten
Onder de indirecte kosten valt de opbrengstderving door kwijtschelding en oninbaar lijden, maar ook perceptiekosten (de kosten om de heffing daadwerkelijk te verkrijgen). Ook de te betalen BTW over de directe lasten en over de investeringen valt hieronder. Daarnaast rekenen we overhead toe. Dat betekent dat we kosten van administratie, personeelszaken, facilitair en automatisering als een opslagpercentage op de directe personeelskosten meetellen. In de Financiële Verordening is de methodiek voor de toerekening van overhead verantwoord.
In de tabellen hieronder zien we de kostendekking van achtereenvolgens de rioolheffing, de afvalstoffenheffing, en de leges van de drie verschillende titels.

Kostendekking rioolheffing
De kostendekking komt uit op 100%. Bij de directe kosten van het taakveld worden de toe te rekenen kosten opgeteld en dit totaal vergelijken we met de opbrengst van de rioolheffing. De kosten op het taakveld 7.2 Riolering nemen met € 109.000 af. Dit komt door een lagere storting van € 381.000 in de egalisatievoorziening rioolheffing. Aanleiding is een toename van toegerekende kosten aan de rioolheffing. Het gaat om hogere perceptiekosten inzet personeel van € 121.000 en indexatie loonkosten van € 17.000. Verder zijn diverse budgetten geïndexeerd en is de begroting onderhoudskosten van onder andere het ledigen van kolken en het verbruik van energiekosten gemalen bijgesteld. Hierdoor zijn de toegerekende kosten met € 151.000 gestegen. Overige afwijkingen in het taakveld 7.2 Riolering tellen op tot een voordeel van € 17.000. De netto directe kosten van het taakveld komen per saldo uit op € 4,16 miljoen.

Naast bovengenoemde kosten zijn de toegerekende overheadkosten door hogere directe personeelskosten riolering en indexatie van loonkosten met € 75.000 toegenomen. Dit geldt tevens voor de toegerekende BTW kosten, hetgeen toe te schrijven is aan het indexeren van budgetten en het bijstellen van de begroting onderhoudskosten. Hierdoor zijn de kosten met € 43.000 toegenomen. De directe perceptie uitvoeringkosten en kwijtscheldingen zijn met € 22.000 afgenomen. Het totaal aan toegerekende kosten is met € 13.000 afgenomen.
De opbrengst rioolheffing blijft bij een gelijkblijvend tarief ten opzichte van de begroting 2022 ongeveer gelijk. Het gaat om een kleine afname van € 13.000. 

Kostendekking afvalstoffenheffing
De kostendekking komt uit op 77%. Bij de directe kosten van het taakveld worden de toe te rekenen kosten opgeteld en dit totaal vergelijken we met de opbrengst van de afvalstoffenheffing. De kosten op taakveld 7.3 Afval (exclusief bedrijfsafval) zijn met € 349.000 afgenomen. Dit wordt met name veroorzaakt door in het kader van ongewijzigd beleid opgenomen begrotingstaakstelling efficiency kostendekking afvalstoffenheffing van € 750.000. Verder zijn de perceptiekosten inzet personeel met € 121.000 en de loonkosten door indexatie met € 17.000 toegenomen. Daarnaast zijn de verwerkingskosten voor het inzamelen van afval toegenomen.

De inkomsten exclusief heffingen zijn met € 98.000 afgenomen, wat grotendeels wordt veroorzaakt door een lagere onttrekking aan de voorziening. De aanwending van de voorziening telt namelijk als inkomst. De netto directe kosten van het taakveld komen per saldo uit op € 5,93 miljoen. Naast bovengenoemde kosten zijn de toegerekende overheadkosten met € 216.000 afgenomen. Dit geldt tevens voor de toegerekende BTW kosten door efficiency voordelen op uitvoeringsbudgetten en de directe perceptie uitvoeringkosten, totaal € 43.000. De kosten voor kwijtschelding zijn naar verwachting € 58.000 hoger. Het totaal aan toegerekende kosten is met € 453.000 afgenomen.

De opbrengt afvalstoffenheffing is ten opzichte van de primitieve begroting 2022 met € 400.000 toegenomen. Dit op basis van het door uw raad genomen besluit om het tarief van de afvalstoffenheffing van 2021 tot en met 2024 stapsgewijs te verhogen met 5% per jaar, om de kostendekking te verbeteren en deze gelijkelijk te verdelen over vastrecht (aantal aansluitingen) en het variabel deel (aantal ledigingen).

Kostendekkendheid van de rioolheffing

Kostendekkendheid van de rioolheffing
Onderdeel Realisatie 2021 Begroot 2022 Begroot 2023 2023-2022
Kosten taakveld 7.2 Riolering *) 4.585.000 4.319.074 4.210.113 -108.961
Inkomsten taakveld excl. heffingen -60.000 -43.724 -43.224 500
Netto kosten taakveld 7.2 Riolering 4.525.000 4.275.350 4.166.889 -108.461
Overhead (naar rato directe personeelskosten) 325.000 444.390 519.000 74.610
Kwijtschelding 5.000 8.000 7.000 -1.000
Perceptiekosten 57.000 57.000 35.833 -21.167
BTW op exploitatie en investeringen 668.000 821.000 864.286 43.286
Totale kosten 5.580.000 5.605.740 5.593.008 -12.732
Opbrengst rioolheffing -5.580.000 -5.605.740 -5.593.008 12.732
Dekkingspercentage 100% 100% 100% 0%
* incl. storting in de egalisatievoorziening Rioolheffing 975.000 444.584 63.944

Kostendekkendheid van de afvalstoffenheffing

Kostendekkendheid van de afvalstoffenheffing
Onderdeel Realisatie 2021 Begroot 2022 Begroot 2023 2023-2022
Kosten taakveld 7.3 Afval *) **) 6.758.000 7.453.000 7.104.239 -348.761
Inkomsten taakveld excl. heffingen *) ***) -1.438.000 -1.267.000 -1.169.470 97.530
Netto kosten taakveld 7.3 Afval 5.320.000 6.186.000 5.934.769 -251.231
Overhead (naar rato directe personeelskosten) 1.327.000 1.652.000 1.436.000 -216.000
Kwijtschelding 387.000 395.000 453.000 58.000
Perceptiekosten 67.000 67.000 35.833 -31.167
BTW op exploitatie en investeringen 801.000 992.000 979.803 -12.197
Totale kosten 7.902.000 9.292.000 8.839.405 -452.595
Opbrengst afvalstoffenheffing -6.289.000 -6.397.000 -6.796.757 -399.757
Dekkingspercentage 80% 69% 77% 8%
*) incl. storting /onttrekking egalisatievoorziening Afvalstoffenheff. 184.000 -414.000 -269.170
**) excl. bedrijfsafval lasten 12.000 20.000 19.200
***) excl. bedrijfsafval baten -18.000 -20.000 -19.200

Kostendekkendheid leges

Kostendekkendheid leges
Titel 1 Algemene dienstverlening Directe kosten Overhead Baten Kostendekking
hoofdstuk 1 Burgerlijke stand € 97.885 € 55.000 € 63.000 41,2%
hoofdstuk 2 Reisdocumenten Nederlandse Identiteitskaart € 288.246 € 117.000 € 185.500 45,8%
hoofdstuk 3 Rijbewijzen € 307.162 € 142.000 € 163.500 36,4%
hoofdstuk 4 Verstrekkingen uit de Basis Registratie Personen € 124.405 € 77.000 € 20.000 9,9%
hoofdstuk 9 Overige publiekszaken Stadsbalie € 109.932 € 38.000 € 94.000 63,5%
hoofdstuk 10 Gemeentearchief € 737 € 451 € 598 50,3%
hoofdstuk 12 Leegstandswet € 2.105 € 1.287 € 2.375 70,0%
hoofdstuk 14 Standplaatsen € 20.014 € 1.224 € 12.100 57,0%
hoofdstuk 16 Kansspelen € 5.338 € 3.264 € 6.018 70,0%
hoofdstuk 17 Telecommunicatie € 63.523 € 38.844 € 75.500 73,8%
hoofdstuk 18 Verkeer en vervoer € 10.923 € 6.679 € 4.000 22,7%
hoofdstuk 19 Diversen € 3.538 € 2.164 € 1.080 18,9%
Kostendekking Titel 1 € 1.033.809 € 482.913 € 627.671 41,4%
Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning Directe kosten Overhead Baten Kostendekking
hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning € 2.569.410 € 199.739 € 1.800.000 65,0%
hoofdstuk 8 Bestemmingswijzigingen zonder activiteiten € 54.753 € 33.481 € 67.375 76,4%
Kostendekking Titel 2 € 2.624.162 € 233.220 € 1.867.375 65,4%
Titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn Directe kosten Overhead Baten Kostendekking
hoofdstuk 1 Horeca € 22.687 € 13.873 € 19.504 53,3%
hoofdstuk 2 Organiseren evenementen of markten € 71.212 € 26.114 € 12.462 12,8%
hoofdstuk 3 Seksbedrijven € 534 € 326 € 331 38,5%
hoofdstuk 7 Kinderopvang € 1.068 € 653 € 1.399 81,3%
hoofdstuk 8 Diversen € 667 € 408 € 773 71,9%
Kostendekking Titel 3 € 96.168 € 41.374 € 34.469 25,1%
Kostendekking totale tarieventabel € 3.754.139 € 757.507 € 2.529.515 56,1%

Recapitulatie titel 1,2 en 3

Recapitulatie Titel 1, 2 en 3
Totaal Directe kosten Overhead Baten Kostendekking
Kostendekking Titel 1 € 1.033.809 € 482.913 € 627.671 41,4%
Kostendekking Titel 2 € 2.624.162 € 233.220 € 1.867.375 65,4%
Kostendekking Titel 3 € 96.168 € 41.374 € 34.469 25,1%
Kostendekking totale tarieventabel € 3.754.139 € 757.507 € 2.529.515 56,1%

Belastingdruk (woonlasten)

Woonlasten

We kijken hoe de woonlasten (OZB, afvalstoffenheffing en rioolheffing) in onze gemeente zich ontwikkelen van 2022 naar 2023. Dat betreft een prognose, omdat de tarieven nog niet zijn vastgesteld. Bij deze vergelijking gaan we voor 2023 uit van:

  1. Een koopwoning met een gemiddelde WOZ-waarde en indexering van de opbrengst OZB met 2,7%,
  2. Het vastrecht van de afvalstoffenheffing en acht keer een lediging van de minicontainer,
  3. Een gelijkblijvend tarief van de rioolheffing.

In onderstaande tabel wordt de lastendruk van de gemeente Midden-Groningen vergeleken met de omliggende gemeenten. De bron daarvoor is de Lokale Lastencalculator van onderzoeksinstituut COELO. We hebben steeds gerekend met een koopwoning met gemiddelde waarde in de genoemde gemeente, afvalstoffenheffing op basis van een tweepersoonshuishouden en rioolheffing voor eigenaar/bewoner. De gegevens voor de omliggende gemeenten zijn uit 2022. De gemeente Eemsdelta komt drie keer voor in de tabel, aangezien daar alleen nog de OZB is geharmoniseerd.

Woonlasten Midden-Groningen 2023 en omliggende gemeenten 2022 (bron COELO)
Gemeente Ozb Afval Riool Totaal
Tynaarlo € 372 € 171 € 166 € 709
Aa en Hunze € 361 € 242 € 163 € 766
Stadskanaal € 421 € 222 € 167 € 810
Eemsdelta / Loppersum € 391 € 220 € 249 € 860
Eemsdelta / Delfzijl € 391 € 268 € 249 € 908
Eemsdelta / Appingedam € 391 € 280 € 249 € 920
Veendam € 461 € 314 € 150 € 925
Oldambt € 467 € 226 € 236 € 929
Midden-Groningen 2022 € 510 € 231 € 190 € 931
Midden-Groningen 2023 € 524 € 247 € 190 € 961
Pekela € 459 € 318 € 185 € 962
Groningen € 562 € 298 € 141 € 1.001
Westerwolde € 429 € 301 € 285 € 1.015
*) OZB voor een woning met gemiddelde waarde, afvalstoffenheffing 2 persoonshuishouden en rioolheffing voor eigenaar/bewoner

Kwijtscheldingsbeleid

In ons collegeprogramma 'Samen aan de slag!' is bestrijding van armoede nadrukkelijk benoemd. Ons kwijtscheldingsbeleid is één van de manieren waarop we dit kunnen doen. De beleidsruimte is echter beperkt. De bevoegdheid van de raad beperkt zich tot:

  • Bepalen welke belastingen voor kwijtschelding in aanmerking komen;
  • Het norminkomen voor de toetsing vaststellen tussen 90% en 100% van de bijstandsnorm;
  • Kwijtschelding mogelijk maken voor de woonlasten van kleine ondernemers;
  • De volledige AOW-norm als norminkomen gebruiken in plaats van de lagere AIO-norm;
  • De netto kosten voor kinderopvang (het verschil tussen de betaalde kosten en de kinderopvangtoeslag) meetellen in de beoordeling van aanvragen van werkende eenoudergezinnen. 

De belastingen waar kwijtschelding voor kan gelden zijn de OZB, de rioolheffing en de afvalstoffenheffing. Onze gemeente heeft de meest ruimhartige invulling gegeven aan de keuzemogelijkheden die hierboven staan. Dat heeft uw raad op 22 maart 2018 in de Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen besloten. De manier waarop de gemeente de betalingscapaciteit en de vermogensvrijstelling van de aanvragers moet berekenen is vastgelegd in de landelijk geldende Uitvoeringsregeling Invorderingswet. De gemeente heeft wel de bevoegdheid om nadere regels over de uitvoering te geven. Die regels staan in de Leidraad Invordering 2020 en ook hierbij zijn de uitgangspunten van ons collegeprogramma leidend. De kwijtschelding wordt via geautomatiseerde toetsing voor een zo groot mogelijk deel van de doelgroep direct geregeld. Zij zien dit op de aanslag staan en hoeven geen aanvraag meer in te dienen. Met ingang van 2022 is de afhandeling van de kwijtschelding uitbesteed aan het Noordelijk Belastingkantoor. Daardoor kunnen aanvragers volstaan met één aanvraag voor de gemeentelijke belastingen en de waterschapslasten tegelijk. 

Vorig jaar heeft het Rijk aangekondigd gemeenten meer eigen ruimte te geven voor wat betreft het vaststellen van de vermogensvrijstelling (de 'tweede motie Krol'). De regels hiervoor zijn eind september gepubliceerd in de Staatscourant. Wij sturen uw raad een voorstel om deze ruimte, volgens onze bestendige beleidslijn, zo maximaal mogelijk in te vullen.